Herinnering aan burgemeester Joseph Van Crombrugghe
Toespraak door Roland Wissaert voor Van Crombrugghe's Genootschap,
15 december 2007
Van de naamgever aan het genootschap is er geen standbeeld of gedenkplaat in Gent.
Enkel een straat in de Meerhemwijk hier dichtbij is bij de sanering in 1904 naar hem genoemd.
Nochtans is er tot op vandaag veel zichtbaar wat onder zijn beleid als burgemeester in Gent tot stand kwam:
-meerdere gebouwen van de Universiteit waarvan hij Curator was, de Opera, het Justitiepaleis, alle van de hand van architect Louis Roeland;
-belangrijke wegenwerken zoals de aanleg van de Schouwburgstraat en de verbreding van de straten rond de Kouter, de aanleg van de Cataloniëstraat aan de Korenmarkt;
-de aanleg van de eerste spoorlijn in de Muikmeersen, de bouw van het eerste Zuidstation in 1837 en de ontsluiting van de wijk errond;
- de afwerking van het Kanaal van Terneuzen en het graven van het Handelsdok tussen Muide en Dampoort.
Het zijn maar enkele voorbeelden. Zelfs de plechtstatige gevel van zijn woning, nu het ING gebouw naast Hotel Falligan, overweegt nog aan de Noordzijde van de Kouter. Zijn rol in de uitbouw van het onderwijs komt verder aan beurt.
Ook de periode van zijn ambten spreekt nog tot de verbeelding: hij was een tijd gemeentesecretaris onder het bewind van Napoleon, parlementslid en burgemeester van Gent onder Willem I der Nederlanden en met onderbrekingen terug burgemeester na de Belgische Omwenteling tot aan zijn dood in 1842.
Ligt die continuïteit en zijn overlevingsvermogen, die doen terugdenken aan figuren uit de Franse Revolutie zoals Talleyrand, aan de basis van een tweeslachtige houding tegenover hem? Was zijn inzet voor het onderwijs een samenloop van omstandigheden, die nadien werd uitvergroot? Laten we de feiten spreken.
Hij wordt geboren in de Geldmunt in 1770. Zijn vader is ontvanger en boekhouder van het Sint-Veerlekapittel, van de armenscholen en enkele andere instellingen. Deze zoon uit een gezin met negen kinderen krijgt zijn eerste onderwijs in een privéschooltje in de Haringsteeg vlakbij. Twaalf jaar oud gaat hij naar het Augustijnencollege, waar men leerlingen vindt uit diverse milieu's. Het onderwijs is er in principe gratis, maar men rekent op vrijwillige bijdragen. De meest behoeftigen krijgen een studiebeurs. Het heeft een goede reputatie en wedijverde voordien als instelling met het Jezuïetencollege, hun orde werd echter in 1773 onder Maria Theresia afgeschaft .
Daarna gaat hij rechten studeren aan de Leuvense universiteit. In 1792 behaalde hij met de grootste onderscheiding het diploma van doctor in de rechten. Hij verblijft vervolgens een tijd in Parijs en ontmoet er Charles Van Hulthem. Hij vestigt zich bij zijn terugkeer in Gent als advocaat. Zijn familie zit er warmpjes in, met een Kasteel als buitenverblijf in Sint-Martens-Leerne dat nog altijd bestaat, toen op twee een half uur reistijd van Gent. Van die gemeente wordt hij burgemeester in 1820 tot 1825 en de familie Van Crombrugghe zal er dit ambt niet meer opgeven tot aan de fusie met Deinze in 1977. Ook vandaag wordt het Kasteel van Crombrugghe nog altijd door de familie bewoond.
In 1804 wordt hij tijdelijk stadssecretaris maar hij keert terug naar zijn bezigheden als advocaat. Van Crombrugghe krijgt bekendheid als pleiter in Gent en in Brussel. Bij het begin van de Hollandse tijd wordt hij in 1815 Raadsheer der Intendentie en Lid van de Deputatie in de Provinciale Staten van Oost-Vlaanderen. In 1817 wordt hij op voorstel van de provincie lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.
Zijn geliefkoosd werkterrein is het burgerlijk recht. Door alle revoluties en evoluties in die periode, is er werk genoeg in zake wetten rond de echtscheiding, ingevoerd onder Napoleon, voogdij, minderjarigheid... In 1819 wordt hij Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, zoals afgebeeld op het portret van schilder Paelinck. Zijn juridisch inzicht valt ook koning Willem I op, die hem in 1824 tot bestuurder van het ministerie van binnenlandse zaken benoemt en tot buitengewone staatsraad. Hij werkt o.m. mee bij het opstellen van de statuten van het hoger onderwijs in de Zuidelijke Nederlanden.
Dan gebeurt het onvoorziene. De Gentse Burgemeester Piers de Raveschoot reist samen met hem naar Den Haag eind 1825 om Willem I te bedanken voor de oprichting van de Centrale School voor Kunsten en Ambachten, de latere Nijverheidsschool. Piers overlijdt er plotseling. Men zal er Van Crombrugghe vragen om hem op te volgen en hem benoemen in januari 1826. Dezelfde maand wordt Van Crombrugghe erelid van La Concorde, opgericht in 1814 en in Van Crombrugghe's tijd het centrum van het Orangisme. Ik wil u mee laten genieten van de sfeer op het feestbanket in hun lokaal, hotel Papejans op de hoek Kouter - Korte Meer, waar deze club vandaag nog altijd een stek heeft.
Dat was l'Orange Bleu van die tijd.
In 1829 verkiest Van Crombrugghe Gents burgemeester te blijven boven de benoeming als goeverneur van de provincie Antwerpen die Willem I hem aanbiedt. Kort daarop volgt de Belgische omwenteling.
De grote twistappels onder het bewind van Willem I zijn de vernederlandsing van België, de persvrijheid en de vrijheid van onderwijs, idealen die met de mond beleden worden maar in vrije interpretatie toegepast. Met de vrijheid van onderwijs botst Willem I op de katholieke zuil, die zelf echter die vrijheid opeist als ze geconfronteerd wordt met het groeiende officiëel onderwijs. Enkel de economische maatregelen vallen bij een kleine groep geprivilegieerden in de smaak, de arbeidersklasse wordt er niet beter van.
Politiek komt de strijd op haar hoogtepunt bij de bespreking van de nieuwe tienjaarlijkse begroting 1830-40 in de tweede kamer van de Staten-Generaal, waarin dus ook Van Crombrugghe zetelt. Bij de stemming over de uitgaven in de nieuwe begroting stemt hij voor, maar samen met acht anderen verandert hij daarop van kamp en stemt hij tegen de goedkeuring van de nodige middelen, die zeer onpopulair zijn. De begroting haalt het uiteindelijk toch en Willem I zal zes leden uit hun amt ontzetten, Van Crombrugghe is daar echter niet bij.
Uiteindelijk zal de koppige, autocratische Willem I het onderspit delven tegen het monsterverbond van liberalen en katholieken tegen zijn regime. De houding van Van Crombrugge tijdens de Belgische Omwenteling is typerend: hij verzekert door zijn optreden een zo geweldlooos mogelijke overgang in Gent. Het levert hem bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen in oktober 1830 met rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, 653 stemmen op 882 want enkel adel en begoeden mochten kiezen. Zijn gematigdheid maakt hem als lid van de orangistische groep toch aanvaardbaar voor het nieuwe bewind, in tegenstelling tot de radicale leider Hippolyte Metdepenningen, de eerste afgestudeerde Doctor in de Rechten van de Universiteit. Het Orangisme streefde o.a. na om Willem I op de troon te krijgen van het nieuwe België.
Een mislukte staatgreep in Gent in 1831 met de instemming van Van Crombrugghe kost hem zijn burgemeesterschap. De gewelddadige periode die erop volgt leidt tot de staat van beleg onder militair gezag in Gent, maar men slaagt er niet in om het Orangisme te onderdrukken. Van 1833 tot 1836 is Van Crombrugghe terug op post. De gemeenteraadsverkiezingen van 1836 worden gewonnen door de radicalere Orangisten en de crisis die er op volgt leidt tot de benoeming van een compromisfiguur Jean-Baptist Minne-Barth, waartegen gemeenteraadslid Van Crombrugghe harde oppositie voert. In 1840 treedt Minne Barth af en komt Van Crombrugghe in zijn plaats. Een ziekte velt hem kort daarna en hij overlijdt op 10 maart 1842. Eén van zijn schepenen, Constant de Kerchove de Denterghem volgt hem op.
De inleiding gaf een klein overzicht van de bouwkundige realisaties onder zijn bestuur. Om zijn rol in het onderwijs te belichten schets ik kort de drie opleidingsniveau's waar hij een actieve rol in speelt.
Met de inhuldiging van de Aula in 1826 plukt hij natuurlijk de vruchten van inspanningen van zijn voorgangers, vanaf het besluit van Willem I in 1816 om universiteiten op te richten in Gent, in Luik en ook in Leuven, gesloten sinds 1797, alle met meestal Nederlandse docenten en het verplichte vak Nederlandse letterkunde.
De Aula en de leslokalen aan de Volderstraat zijn stadseigendom, de Bibliotheek en de Botanische Tuin op de Baudelosite stelt de stad ook ter beschikking en ze breidt die nog uit. Het crisismoment komt bij de Belgische omwenteling, want het voorlopig bewind schaft aan de Belgische universiteiten verschillende faculteiten af, die wantrouwen opwekken door hun orangistische voorgeschiedenis. In Gent zijn dat Wijsbegeerte en Wetenschappen, waardoor ook de opleidingen Rechten en Geneeskunde in gevaar komen.
Van Crombrugghe zal bekomen dat de stad op eigen kosten vrije faculteiten kan oprichten om zo de continuïteit te waarborgen, tot aan de herinrichting van de Universiteit in 1833. In 1837 zal de stad voorzien in 50 studiebeurzen. In de Plantentuin wordt een Orangerie bijgebouwd, want voor Oranjebomen heeft Orangist Van Crombrugghe een zwak, ook op zijn eigen buitengoed. Zijn interesse voor planten en vriendschap met Van Hulthem zal trouwens leiden tot de verdere uitbouw van de plantententoonstelling van de Maatschappij van Landbouw en Kruidkunde. Hij schenkt ze de gronden aan de Coupure, waarop vanaf 1835 het Casino opgericht wordt en waardoor de Floraliën aan hun internationale opmars kunnen beginnen.
Het Hollands bewind organiseert het middelbaar onderwijs vanaf 1817: in vele steden worden Athenea opgericht (de nieuwe naam voor Lyceum) of worden de bestaande katholieke colleges verder gezet, maar overal met een leerkracht Nederlands. De Athenea die door de kerk als bron van geestelijk verderf afgeschilderd worden, krijgen tegenover hen veel Klein-Seminaries, die meer dan enkel priesters afleveren. Het Gents Atheneum gaat naar 1830 toe sterk achteruit. Vanaf 1831 zal Van Crombrugghe het ter hand nemen. Het onderwijs wordt uitgebreid en biedt twee richtingen aan: de humanistische (6 jaar) en de industriële (4 jaar). De eerste als voorbereiding op de universiteit, de tweede om "alles wat den bewooner eener koop- en fabriekstad behoeft om met goed gevolg koophandel of nijverheid uit te boefenen".
Ook andere middelbare instellingen komen aan bod: We zagen reeds dat de stichting van de latere Nijverheidsschool samenviel met het begin van zijn burgemeesterschap. De stad richt in lokalen aan de Lindelei een eerste scheikundig laboratorium in, samen met lessen in wis- en natuurkunde gericht naar de technische praktijk. Opnieuw is 1830 een breekpunt en om de totale aftakeling te voorkomen neemt het stadsbestuur vanaf 1833 de school over, weliswaar met een deel staatssubsidie.
Vergelijkbare inspanningen worden ook geleverd voor de Koninklijke Academie voor Teken- en Schilderkunst, die reeds bestond, en gevestigd is in zijn vroeger Augustijnencollege. Er komen betere vergoedingen voor het personeel, nieuwe en aangepaste cursussen, overwegend kosteloze lessen, alles onder toezicht van de stad. Van Crombrugghe was voorzitter van die vele instellingen en dikwijls aanwezig op plechtigheden allerhande om zijn betrokkenheid te onderlijnen.
Ook het Conservatorium ontstaat onder zijn bestuur in 1835, in de Conciergerie naast het stadhuis in de Hoogpoort. Tachtig procent van de 300 studenten in 1842 genieten er kosteloos onderwijs.
Dat brengt ons naar een laatste groep instellingen: de lagere stadsscholen. Het is ook de groep die na de omwenteling het laatst aangepakt wordt.
In het Ancien Régime was het onderwijs zo goed als volledig in handen geweest van de katholieke kerk als gevolg van de contrareformatie. De stad heeft dan enkel 4 armenscholen onder haar hoede, die tot de weeshuizen behoren. Het Franse Bewind had het lager onderwijs verwaarloosd met als gevolg 60 % ongeletterden.
Willem I kan dus bijna van nul beginnen, maar het onderwijzen van de Nederlandse moedertaal staat centraal, wat niet enkel in Brussel en Wallonië tegenkanting van de ouders vindt. In 1827 verzoekt de minister van binnenlandse zaken om in Gent armenscholen op te richten en men start met drie scholen "voor kinderen van het mannelijke geslacht van behoeftige of minvermogende inwoners van Gent". De directie en onderwijzers worden door de stad betaald en het eerste jaar telt elke school zowat 125 leerlingen. Tussen 1828 en 1830 groeit het stedelijk onderwijsnet verder.
Na de onafhankelijkheid schaft het Voorlopig Bewind in veel steden en gemeenten de gemeentescholen af of vervangt het personeel. In 1833 komt in Gent de eerste stadsmeisjesschool tot stand in de oude Schipperskapel aan het Recollettenplein. De eerste leerkracht die men benoemt is een dame uit Kortrijk, waar men ze als orangistische sympatisante liever kwijt was. Al vlug telt de school 250 meisjes en sticht men een tweede in de Kapel van Sint-Jan in d'Olie. In 1834 tellen de vijf scholen samen al 1800 leerlingen, op een bevolking van 90.000 inwoners, in 1836 al rond de 3000. Het budget voor het lager onderwijs is in 1842 het dubbele van in Antwerpen.
Waarom laten we Van Crombrugghe niet eens zelf aan het woord, in een pleidooi pro domo in 1836: " En nu hebben deze gestichten reeds enen trap van volmaektheid bereikt, die, ik zeg het met voldoening, met moeite zou aantreffen in eene andere stad van België en zelfs van vreemde landen waer 't onderwijs het meest gevorderd is. ... huisvaders, tot den hoogsten rang der maetschappy behorende (heb ik) menigmael horen betuigen hoe zeer het hun spyt, dat het doel zelf en de geheele kostelooze bestemming van deze stedelyke gestichten, aen hunne begeerte om er hunne kinderen te zenden, tegenstrydig is"
De omstandigheden in de groeiende mechanische textielindustrie, denk aan het katoenoproer in 1839, waren er natuurlijk niet naar dat men van een doorgedreven democratisatie kan spreken, maar een aanzet was het zeker. Dankbare leerkrachten en oudleerlingen liggen aan de basis van de naamgeving aan het genootschap dat dit jaar zijn 150ste verjaardag viert, een continuïteit Van Crombrugghe waardig.
Bij het portret van hem dat hier hangt door Jozef Paelinck kan men zich de vraag stellen, heeft de schilder hier een gladde paling geportretteerd, een man die er alles aan deed om in de gunst te blijven. De feiten leren dat dit niet het geval was, dat zijn politieke loopbaan niet zo rimpelloos verliep als men oppervlakkig zou denken. De geschetste situaties tonen dat hij rationele overwegingen en beginselvastheid voorrang kon verlenen op politieke kadaverdiscipline, waardoor hij ook de tegenwind moest trotseren van zijn politieke vrienden.
Als lid van het Franstalige establishment had hij evengoed de uitbouw van een modern onderwijsstelsel aan zijn lot kunnen overlaten. Maar dat gebeurde niet en alle genoemde instellingen zijn er vandaag nog.
Hij was niet een revolutionaire politicus en leider, maar nam de kansen waar die zich voordeden en zette ze ook om , zoals zijn opvolgers Charles de Kerchove, Hippolyte Lippens en Emiel Braun het de daaropvolgende 100 jaar ook zouden doen. Die laatste familienamen zijn de Gentenaren beter bekend, door de mooie Ringlaan, het drukke Rond Punt en het momenteel hoofdbrekende plein aan de voet van ons Belfort. Misschien is het tijd om ook aan Joseph van Crombrugghe een betere herkennings- en erkenningsplek te schenken.
R. Wissaert
-meerdere gebouwen van de Universiteit waarvan hij Curator was, de Opera, het Justitiepaleis, alle van de hand van architect Louis Roeland;
-belangrijke wegenwerken zoals de aanleg van de Schouwburgstraat en de verbreding van de straten rond de Kouter, de aanleg van de Cataloniëstraat aan de Korenmarkt;
-de aanleg van de eerste spoorlijn in de Muikmeersen, de bouw van het eerste Zuidstation in 1837 en de ontsluiting van de wijk errond;
- de afwerking van het Kanaal van Terneuzen en het graven van het Handelsdok tussen Muide en Dampoort.
Het zijn maar enkele voorbeelden. Zelfs de plechtstatige gevel van zijn woning, nu het ING gebouw naast Hotel Falligan, overweegt nog aan de Noordzijde van de Kouter. Zijn rol in de uitbouw van het onderwijs komt verder aan beurt.
Ook de periode van zijn ambten spreekt nog tot de verbeelding: hij was een tijd gemeentesecretaris onder het bewind van Napoleon, parlementslid en burgemeester van Gent onder Willem I der Nederlanden en met onderbrekingen terug burgemeester na de Belgische Omwenteling tot aan zijn dood in 1842.
Ligt die continuïteit en zijn overlevingsvermogen, die doen terugdenken aan figuren uit de Franse Revolutie zoals Talleyrand, aan de basis van een tweeslachtige houding tegenover hem? Was zijn inzet voor het onderwijs een samenloop van omstandigheden, die nadien werd uitvergroot? Laten we de feiten spreken.
Hij wordt geboren in de Geldmunt in 1770. Zijn vader is ontvanger en boekhouder van het Sint-Veerlekapittel, van de armenscholen en enkele andere instellingen. Deze zoon uit een gezin met negen kinderen krijgt zijn eerste onderwijs in een privéschooltje in de Haringsteeg vlakbij. Twaalf jaar oud gaat hij naar het Augustijnencollege, waar men leerlingen vindt uit diverse milieu's. Het onderwijs is er in principe gratis, maar men rekent op vrijwillige bijdragen. De meest behoeftigen krijgen een studiebeurs. Het heeft een goede reputatie en wedijverde voordien als instelling met het Jezuïetencollege, hun orde werd echter in 1773 onder Maria Theresia afgeschaft .
Daarna gaat hij rechten studeren aan de Leuvense universiteit. In 1792 behaalde hij met de grootste onderscheiding het diploma van doctor in de rechten. Hij verblijft vervolgens een tijd in Parijs en ontmoet er Charles Van Hulthem. Hij vestigt zich bij zijn terugkeer in Gent als advocaat. Zijn familie zit er warmpjes in, met een Kasteel als buitenverblijf in Sint-Martens-Leerne dat nog altijd bestaat, toen op twee een half uur reistijd van Gent. Van die gemeente wordt hij burgemeester in 1820 tot 1825 en de familie Van Crombrugghe zal er dit ambt niet meer opgeven tot aan de fusie met Deinze in 1977. Ook vandaag wordt het Kasteel van Crombrugghe nog altijd door de familie bewoond.
In 1804 wordt hij tijdelijk stadssecretaris maar hij keert terug naar zijn bezigheden als advocaat. Van Crombrugghe krijgt bekendheid als pleiter in Gent en in Brussel. Bij het begin van de Hollandse tijd wordt hij in 1815 Raadsheer der Intendentie en Lid van de Deputatie in de Provinciale Staten van Oost-Vlaanderen. In 1817 wordt hij op voorstel van de provincie lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.
Zijn geliefkoosd werkterrein is het burgerlijk recht. Door alle revoluties en evoluties in die periode, is er werk genoeg in zake wetten rond de echtscheiding, ingevoerd onder Napoleon, voogdij, minderjarigheid... In 1819 wordt hij Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, zoals afgebeeld op het portret van schilder Paelinck. Zijn juridisch inzicht valt ook koning Willem I op, die hem in 1824 tot bestuurder van het ministerie van binnenlandse zaken benoemt en tot buitengewone staatsraad. Hij werkt o.m. mee bij het opstellen van de statuten van het hoger onderwijs in de Zuidelijke Nederlanden.
Dan gebeurt het onvoorziene. De Gentse Burgemeester Piers de Raveschoot reist samen met hem naar Den Haag eind 1825 om Willem I te bedanken voor de oprichting van de Centrale School voor Kunsten en Ambachten, de latere Nijverheidsschool. Piers overlijdt er plotseling. Men zal er Van Crombrugghe vragen om hem op te volgen en hem benoemen in januari 1826. Dezelfde maand wordt Van Crombrugghe erelid van La Concorde, opgericht in 1814 en in Van Crombrugghe's tijd het centrum van het Orangisme. Ik wil u mee laten genieten van de sfeer op het feestbanket in hun lokaal, hotel Papejans op de hoek Kouter - Korte Meer, waar deze club vandaag nog altijd een stek heeft.
A ce banquet si bien servi,
Les vins sont purs, la chair friande,
Un bon mot d'un autre est suivi,
C'est la gaîté vraiment flamande.
Loin donc qui voudrait parmi nous
Jeter la pomme de discorde
L'orange est un fruit bien plus doux,
C'est le dessert de La Concorde.
Les vins sont purs, la chair friande,
Un bon mot d'un autre est suivi,
C'est la gaîté vraiment flamande.
Loin donc qui voudrait parmi nous
Jeter la pomme de discorde
L'orange est un fruit bien plus doux,
C'est le dessert de La Concorde.
Dat was l'Orange Bleu van die tijd.
In 1829 verkiest Van Crombrugghe Gents burgemeester te blijven boven de benoeming als goeverneur van de provincie Antwerpen die Willem I hem aanbiedt. Kort daarop volgt de Belgische omwenteling.
De grote twistappels onder het bewind van Willem I zijn de vernederlandsing van België, de persvrijheid en de vrijheid van onderwijs, idealen die met de mond beleden worden maar in vrije interpretatie toegepast. Met de vrijheid van onderwijs botst Willem I op de katholieke zuil, die zelf echter die vrijheid opeist als ze geconfronteerd wordt met het groeiende officiëel onderwijs. Enkel de economische maatregelen vallen bij een kleine groep geprivilegieerden in de smaak, de arbeidersklasse wordt er niet beter van.
Politiek komt de strijd op haar hoogtepunt bij de bespreking van de nieuwe tienjaarlijkse begroting 1830-40 in de tweede kamer van de Staten-Generaal, waarin dus ook Van Crombrugghe zetelt. Bij de stemming over de uitgaven in de nieuwe begroting stemt hij voor, maar samen met acht anderen verandert hij daarop van kamp en stemt hij tegen de goedkeuring van de nodige middelen, die zeer onpopulair zijn. De begroting haalt het uiteindelijk toch en Willem I zal zes leden uit hun amt ontzetten, Van Crombrugghe is daar echter niet bij.
Uiteindelijk zal de koppige, autocratische Willem I het onderspit delven tegen het monsterverbond van liberalen en katholieken tegen zijn regime. De houding van Van Crombrugge tijdens de Belgische Omwenteling is typerend: hij verzekert door zijn optreden een zo geweldlooos mogelijke overgang in Gent. Het levert hem bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen in oktober 1830 met rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, 653 stemmen op 882 want enkel adel en begoeden mochten kiezen. Zijn gematigdheid maakt hem als lid van de orangistische groep toch aanvaardbaar voor het nieuwe bewind, in tegenstelling tot de radicale leider Hippolyte Metdepenningen, de eerste afgestudeerde Doctor in de Rechten van de Universiteit. Het Orangisme streefde o.a. na om Willem I op de troon te krijgen van het nieuwe België.
Een mislukte staatgreep in Gent in 1831 met de instemming van Van Crombrugghe kost hem zijn burgemeesterschap. De gewelddadige periode die erop volgt leidt tot de staat van beleg onder militair gezag in Gent, maar men slaagt er niet in om het Orangisme te onderdrukken. Van 1833 tot 1836 is Van Crombrugghe terug op post. De gemeenteraadsverkiezingen van 1836 worden gewonnen door de radicalere Orangisten en de crisis die er op volgt leidt tot de benoeming van een compromisfiguur Jean-Baptist Minne-Barth, waartegen gemeenteraadslid Van Crombrugghe harde oppositie voert. In 1840 treedt Minne Barth af en komt Van Crombrugghe in zijn plaats. Een ziekte velt hem kort daarna en hij overlijdt op 10 maart 1842. Eén van zijn schepenen, Constant de Kerchove de Denterghem volgt hem op.
De inleiding gaf een klein overzicht van de bouwkundige realisaties onder zijn bestuur. Om zijn rol in het onderwijs te belichten schets ik kort de drie opleidingsniveau's waar hij een actieve rol in speelt.
Met de inhuldiging van de Aula in 1826 plukt hij natuurlijk de vruchten van inspanningen van zijn voorgangers, vanaf het besluit van Willem I in 1816 om universiteiten op te richten in Gent, in Luik en ook in Leuven, gesloten sinds 1797, alle met meestal Nederlandse docenten en het verplichte vak Nederlandse letterkunde.
De Aula en de leslokalen aan de Volderstraat zijn stadseigendom, de Bibliotheek en de Botanische Tuin op de Baudelosite stelt de stad ook ter beschikking en ze breidt die nog uit. Het crisismoment komt bij de Belgische omwenteling, want het voorlopig bewind schaft aan de Belgische universiteiten verschillende faculteiten af, die wantrouwen opwekken door hun orangistische voorgeschiedenis. In Gent zijn dat Wijsbegeerte en Wetenschappen, waardoor ook de opleidingen Rechten en Geneeskunde in gevaar komen.
Van Crombrugghe zal bekomen dat de stad op eigen kosten vrije faculteiten kan oprichten om zo de continuïteit te waarborgen, tot aan de herinrichting van de Universiteit in 1833. In 1837 zal de stad voorzien in 50 studiebeurzen. In de Plantentuin wordt een Orangerie bijgebouwd, want voor Oranjebomen heeft Orangist Van Crombrugghe een zwak, ook op zijn eigen buitengoed. Zijn interesse voor planten en vriendschap met Van Hulthem zal trouwens leiden tot de verdere uitbouw van de plantententoonstelling van de Maatschappij van Landbouw en Kruidkunde. Hij schenkt ze de gronden aan de Coupure, waarop vanaf 1835 het Casino opgericht wordt en waardoor de Floraliën aan hun internationale opmars kunnen beginnen.
Het Hollands bewind organiseert het middelbaar onderwijs vanaf 1817: in vele steden worden Athenea opgericht (de nieuwe naam voor Lyceum) of worden de bestaande katholieke colleges verder gezet, maar overal met een leerkracht Nederlands. De Athenea die door de kerk als bron van geestelijk verderf afgeschilderd worden, krijgen tegenover hen veel Klein-Seminaries, die meer dan enkel priesters afleveren. Het Gents Atheneum gaat naar 1830 toe sterk achteruit. Vanaf 1831 zal Van Crombrugghe het ter hand nemen. Het onderwijs wordt uitgebreid en biedt twee richtingen aan: de humanistische (6 jaar) en de industriële (4 jaar). De eerste als voorbereiding op de universiteit, de tweede om "alles wat den bewooner eener koop- en fabriekstad behoeft om met goed gevolg koophandel of nijverheid uit te boefenen".
Ook andere middelbare instellingen komen aan bod: We zagen reeds dat de stichting van de latere Nijverheidsschool samenviel met het begin van zijn burgemeesterschap. De stad richt in lokalen aan de Lindelei een eerste scheikundig laboratorium in, samen met lessen in wis- en natuurkunde gericht naar de technische praktijk. Opnieuw is 1830 een breekpunt en om de totale aftakeling te voorkomen neemt het stadsbestuur vanaf 1833 de school over, weliswaar met een deel staatssubsidie.
Vergelijkbare inspanningen worden ook geleverd voor de Koninklijke Academie voor Teken- en Schilderkunst, die reeds bestond, en gevestigd is in zijn vroeger Augustijnencollege. Er komen betere vergoedingen voor het personeel, nieuwe en aangepaste cursussen, overwegend kosteloze lessen, alles onder toezicht van de stad. Van Crombrugghe was voorzitter van die vele instellingen en dikwijls aanwezig op plechtigheden allerhande om zijn betrokkenheid te onderlijnen.
Ook het Conservatorium ontstaat onder zijn bestuur in 1835, in de Conciergerie naast het stadhuis in de Hoogpoort. Tachtig procent van de 300 studenten in 1842 genieten er kosteloos onderwijs.
Dat brengt ons naar een laatste groep instellingen: de lagere stadsscholen. Het is ook de groep die na de omwenteling het laatst aangepakt wordt.
In het Ancien Régime was het onderwijs zo goed als volledig in handen geweest van de katholieke kerk als gevolg van de contrareformatie. De stad heeft dan enkel 4 armenscholen onder haar hoede, die tot de weeshuizen behoren. Het Franse Bewind had het lager onderwijs verwaarloosd met als gevolg 60 % ongeletterden.
Willem I kan dus bijna van nul beginnen, maar het onderwijzen van de Nederlandse moedertaal staat centraal, wat niet enkel in Brussel en Wallonië tegenkanting van de ouders vindt. In 1827 verzoekt de minister van binnenlandse zaken om in Gent armenscholen op te richten en men start met drie scholen "voor kinderen van het mannelijke geslacht van behoeftige of minvermogende inwoners van Gent". De directie en onderwijzers worden door de stad betaald en het eerste jaar telt elke school zowat 125 leerlingen. Tussen 1828 en 1830 groeit het stedelijk onderwijsnet verder.
Na de onafhankelijkheid schaft het Voorlopig Bewind in veel steden en gemeenten de gemeentescholen af of vervangt het personeel. In 1833 komt in Gent de eerste stadsmeisjesschool tot stand in de oude Schipperskapel aan het Recollettenplein. De eerste leerkracht die men benoemt is een dame uit Kortrijk, waar men ze als orangistische sympatisante liever kwijt was. Al vlug telt de school 250 meisjes en sticht men een tweede in de Kapel van Sint-Jan in d'Olie. In 1834 tellen de vijf scholen samen al 1800 leerlingen, op een bevolking van 90.000 inwoners, in 1836 al rond de 3000. Het budget voor het lager onderwijs is in 1842 het dubbele van in Antwerpen.
Waarom laten we Van Crombrugghe niet eens zelf aan het woord, in een pleidooi pro domo in 1836: " En nu hebben deze gestichten reeds enen trap van volmaektheid bereikt, die, ik zeg het met voldoening, met moeite zou aantreffen in eene andere stad van België en zelfs van vreemde landen waer 't onderwijs het meest gevorderd is. ... huisvaders, tot den hoogsten rang der maetschappy behorende (heb ik) menigmael horen betuigen hoe zeer het hun spyt, dat het doel zelf en de geheele kostelooze bestemming van deze stedelyke gestichten, aen hunne begeerte om er hunne kinderen te zenden, tegenstrydig is"
De omstandigheden in de groeiende mechanische textielindustrie, denk aan het katoenoproer in 1839, waren er natuurlijk niet naar dat men van een doorgedreven democratisatie kan spreken, maar een aanzet was het zeker. Dankbare leerkrachten en oudleerlingen liggen aan de basis van de naamgeving aan het genootschap dat dit jaar zijn 150ste verjaardag viert, een continuïteit Van Crombrugghe waardig.
Bij het portret van hem dat hier hangt door Jozef Paelinck kan men zich de vraag stellen, heeft de schilder hier een gladde paling geportretteerd, een man die er alles aan deed om in de gunst te blijven. De feiten leren dat dit niet het geval was, dat zijn politieke loopbaan niet zo rimpelloos verliep als men oppervlakkig zou denken. De geschetste situaties tonen dat hij rationele overwegingen en beginselvastheid voorrang kon verlenen op politieke kadaverdiscipline, waardoor hij ook de tegenwind moest trotseren van zijn politieke vrienden.
Als lid van het Franstalige establishment had hij evengoed de uitbouw van een modern onderwijsstelsel aan zijn lot kunnen overlaten. Maar dat gebeurde niet en alle genoemde instellingen zijn er vandaag nog.
Hij was niet een revolutionaire politicus en leider, maar nam de kansen waar die zich voordeden en zette ze ook om , zoals zijn opvolgers Charles de Kerchove, Hippolyte Lippens en Emiel Braun het de daaropvolgende 100 jaar ook zouden doen. Die laatste familienamen zijn de Gentenaren beter bekend, door de mooie Ringlaan, het drukke Rond Punt en het momenteel hoofdbrekende plein aan de voet van ons Belfort. Misschien is het tijd om ook aan Joseph van Crombrugghe een betere herkennings- en erkenningsplek te schenken.
R. Wissaert